Een oude poes

 

 

‘Ze ziet eruit als een oude poes’, appt mijn moeder terug. Ik kijk naar mijn oude kat die naast me ligt te slapen. Haar vacht is wat vettig en niet meer zo glanzend als een paar jaar geleden. Haar pootjes die ze vol vertrouwen over haar oogjes heeft gelegd zeggen mij veel meer. De felheid waarmee ze haar wantrouwen uitte naar alles wat het lef heeft om op twee benen door het leven te gaan is verdwenen. Niet dat ik nu het recht heb om haar te helpen met het schoonhouden van haar vacht. Ik heb alleen de eer haar te voeden met kunstmatige brokjes, kraanwater en af en toe wat koffiemelk voor haar harde constipatiebuik. De dagen van verse muizen zijn voorbij.  

          Haar vermeende broer, vier keer zo zwaar als haar, alsof moeder natuur zijn intelligentieniveau heeft willen compenseren, balanceert nog dagelijks op schuttingen. Zij zal zich hiertoe niet meer wagen. Niet alleen loopt ze wat ineengedoken en wijst haar staart zelden nog naar het plafond, er lijkt iets mis te zijn in  haar hoofd. Wankel en wiebelig loopt ze over de vensterbank om dan toch weer naar beneden te vallen. Dan krabbelt ze weer op en lijkt om zich heen te kijken om na te gaan of niemand haar val gezien heeft. 

Ze zeggen dat katten het weten wanneer je ziek bent. Bij haar heb ik nooit het idee gehad dat ze dit door had. Haar broer daarentegen legt sinds ik terug was van mijn eerste ziekenhuisopname, regelmatig zijn poot op mijn schouder als hij naast me op de bankleuning zit. Alsof hij wil zeggen dat alles wel goed komt. 

         Zij daarentegen doet zoiets niet. Alhoewel, de laatste maanden lijkt daar wel verandering in te komen. Zo graag als haar broer gebruik maakt van de kans om naast mij te slapen, zo snel sprong zij van mijn bed af zodra ik er in ging liggen. Alsof mijn bed, waar ze bij voorkeur precies in het midden ging liggen, haar bed was wat ze wel even aan me kon afstaan. Alleen de laatste maanden is dat anders. Laatst werd ik wakker van iets scherps op mijn hoofdhuid en met het gevoel alsof iemand aan mijn haar trok. Ik opende mijn ogen en keek recht in haar kattenogen. Verstrengeld in mijn haar lag ze boven op mijn hoofd. 

        Nu ligt ze naast me op de bank te slapen. Plotseling begint ze te schokken en stuitert ze van de bank af. Op de vloer blijft ze een halve minuut voor dood liggen. Ze staat weer op en kijkt me met een trotse houding aan. “Niets aan de hand” lijkt ze me te willen zeggen. Ze strekt zich uit en springt terug op de bank. Op mijn schoot draait ze een paar rondjes voordat ze zich met haar warme lijf nestelt op mijn pijnlijke benen.  Hier en daar wat afwijkingen in het hoofd die het lopen, het bewustzijn en het evenwicht weliswaar wat hebben aangetast, veranderen niets aan haar houding van een dame. 

         Ik kijk naar mijn telefoon en app mijn moeder terug.

         ‘Dat mag ze zijn’, schrijf ik. 

 

© Emma Radiaan, december 2016.